Of: over hoe ik mentaal uitstekend functioneer, totdat iemand mijn spullen verplaatst
Er zijn mensen die zich zonder noemenswaardige geestelijke schade door het leven bewegen tussen sleutels, opladers, tassen, pasjes, jassen, drinkbekers, sportspullen, kabels en andere praktische objecten.
Ik ben dat niet.
Nu moet ik daar wel eerlijk bij zeggen dat ik ook niet leef als zo’n vrouw die vanaf een blinkend aanrecht neerziet op de huishoudelijke tekortkomingen van anderen. Ik heb een labelmaker, maar ook een eettafeluiteinde dat door Zijn Bestie zonder aarzeling het rommelhoekje wordt genoemd.
Wat onnodig aanvallend is, maar helaas niet feitelijk onjuist.
Dus nee, ik leef niet in een huis dat visueel iets uitstraalt als beheersing. Maar ik heb wel een systeem. Geen systeem dat voor buitenstaanders direct zichtbaar is — en eerlijk gezegd zegt dat meer over hun observatievermogen dan over mijn organisatie — maar een systeem desalniettemin.
Ik weet waar dingen zijn.
Of nauwkeuriger: ik weet waar dingen horen te zijn volgens het door mij intern opgestelde registratiesysteem, dat nergens officieel is vastgelegd en toch betrouwbaarder functioneert dan menig volwassen organisatie met een managementlaag.
Mijn spullen liggen misschien niet altijd netjes. Maar ze liggen wel logisch. Voor mij.
En zolang niemand zich daarmee bemoeit, werkt dat uitstekend.
En daar… komt Mijn Vriend in beeld.
Mijn Vriend beweegt door het huis met de onrustige energie van iemand die fundamenteel gelooft dat míj́n voorwerpen een andere verblijfplaats nodig hebben. Hij gebruikt iets, en legt het daarna neer op een plek waarvan ik alleen maar kan aannemen dat die op dat moment gevoelsmatig juist leek.
Mijn oplader ligt ineens boven.
Mijn sleutels zitten in een jaszak van een andere dag.
Mijn tas is verplaatst “zodat hij niet in de weg stond”, wat meestal betekent dat hij nu administratief van de aardbodem verdwenen is.
Mijn Pilates-bal duikt op in ruimtes waar nooit eerder een bal, laat staan Pilates, een rol van betekenis heeft gespeeld.
En dan begint dus mijn probleem.
Niet omdat ik zo netjes ben. Maar omdat ik een geheugen heb.
Ik leef niet op uiterlijke orde. Ik leef op interne logica. Op weten dat iets daar ligt omdat het daar hoort te liggen, omdat ik het daar heb gelaten, omdat we hier toch geen open instelling runnen voor loslopende objecten.
Maar kennelijk is dat optimistisch.
Want een verplaatste oplader is natuurlijk nooit alleen een verplaatste oplader. Het is een signaal. Een symptoom. Een klein plastic bewijsstuk van een veel groter bestuurlijk falen: ik leef met iemand die denkt dat je een object best ergens kunt neerleggen en dat het dan later vanzelf wel weer goedkomt.
Ja.
Omdat ík later besta.
En dát is het vernederende deel.
Niet eens het zoeken zelf, maar het onderliggende vertrouwen. De kalmte waarmee iemand iets uit zijn context trekt en neerlegt in een vage parallelle werkelijkheid, volledig gerust op het idee dat een ander het mentale opruimwerk later wel opvangt.
Alsof ik geen mens ben, maar een ingebouwd correctiemechanisme met haarclip, verantwoordelijkheidsgevoel en een veel te goed geheugen.
En het ergste is dat Mijn Vriend dit doet zonder kwaadwillendheid. Met oprechte verbazing zelfs. Alsof hij werkelijk niet begrijpt waarom de zin “ik heb het even ergens neergelegd” mij niet geruststelt, maar onmiddellijk een lichamelijke stressreactie oproept.
Alsof dat een locatie is.
Alsof “ergens” bruikbare informatie bevat.
Alsof mijn geheugen werkt met mannelijke sfeerindicaties in plaats van met concrete plekken.
En dan is er ook nog Zijn Bestie, die dus met het zelfvertrouwen van iemand die zelf nergens de structurele gevolgen van hoeft te dragen, vrolijk kan verwijzen naar mijn eettafel als rommelhoekje, terwijl ik tenminste nog een hoek héb. Een afgebakend gebied. Een territorium. Een systeem.
Dat is al meer dan Mijn Vriend heeft.
Misschien zou ik inderdaad floreren in een leven zonder praktische bezittingen. Een groot leeg vertrek. Eén stoel. Eén kop. Eén pen. Een gewaad. Geen kabels. Geen sleutels. Geen tassen. Geen huishoudelijke objecten met een migratieachtergrond. Geen volwassen man die een huis behandelt als één grote tussenplek. Geen besties die van een zorgvuldig opgebouwd ecosysteem het woord rommelhoekje maken alsof ze zelf uit een showroom zijn gerold.
Dat lijkt me eerlijk gezegd weldadig.
Tot die tijd leef ik helaas in de echte wereld, waar ik mentaal op bovengemiddeld functioneer, over een labelmaker beschik, boekenkolonies onderhoud op de bank, en toch emotioneel volledig kan ontsporen door het ontbreken van één USB-C-kabel, omdat iemand anders dacht: ik leg hem hier wel even neer.
En eerlijk? Misschien kan ik best tegen chaos. Ik kan alleen slecht tegen chaos die door anderen wordt veroorzaakt en vervolgens administratief bij mij wordt ondergebracht.
Wat hier verrassend vaak voor “een gezamenlijke huishouding” doorgaat ♥️.

